03 december 2012

Decreet van 6 juli 2012 betreffende het Lokaal Cultuurbeleid

Het VLAAMS PARLEMENT heeft aangenomen en Wij, REGERING, bekrachtigen hetgeen volgt:

Decreet van 6 juli 2012 betreffende het Lokaal Cultuurbeleid

(B.S. 28 augustus 2012)

Titel 1.

Algemene bepalingen

Artikel 1. Dit decreet regelt een gemeenschapsaangelegenheid.

Art. 2. Voor de toepassing van dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan wordt verstaan onder:

1° lokaal cultuurbeleid: een cultuurbeleid dat steunt op deskundigheid, strategische aanpak en participatie van alle actoren, dat streeft naar een evenwicht tussen enerzijds de culturele behoeften en anderzijds het cultuuraanbod, ondersteund door de lokale overheid, en dat uitgaat van de samenhang tussen de verschillende cultuurbeleidsdomeinen;

2° gemeenschapscentrum: culturele infrastructuur die de gemeente beheert met het oog op cultuurparticipatie, gemeenschapsvorming en cultuurspreiding ten behoeve van de lokale bevolking en met bijzondere aandacht voor de culturele diversiteit;

3° cultuurcentrum: culturele infrastructuur die de gemeente beheert met het oog op cultuurparticipatie, gemeenschapsvorming en cultuurspreiding ten behoeve van de lokale bevolking en met bijzondere aandacht voor de culturele diversiteit, met daarnaast een breed en eigen cultuurspreidingsaanbod, gericht op de bevolking van een streekgericht werkingsgebied;

4° openbare bibliotheek: een basisvoorziening waar elke burger terechtkan met zijn vragen over kennis, cultuur, informatie en ontspanning. Ze bemiddelt actief bij het beantwoorden van deze vragen. De openbare bibliotheek is actief op het vlak van

geletterdheid, cultuurspreiding en cultuurparticipatie. De bibliotheek werkt in een geest van objectiviteit en vrij van levensbeschouwelijke, politieke en commerciële invloeden;

5° administratie: de administratie, bevoegd voor de cultuur;

6° minister: de Vlaamse minister, bevoegd voor de cultuur; 7° Planlastendecreet: het decreet van 15 juli 2011 houdende vaststelling van de algemene regels waaronder in de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest periodieke plan- en rapporteringsverplichtingen aan lokale besturen kunnen worden opgelegd.

Art. 3. De bepalingen van het Planlastendecreet zijn niet van toepassing op titel 3, hoofdstuk 4 en 5, op afdeling 1 van hoofdstuk 6 en op titel 5.

Art. 4. De subsidiebedragen, vermeld in dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan, die gekoppeld worden aan bevolkingscijfers, worden berekend op 1 januari van het te subsidiëren jaar op basis van de meest recente bevolkingscijfers die op dat moment in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd zijn.

Titel 2.

Doelstelling

Art. 5. Dit decreet heeft tot doel het lokaal cultuurbeleid van de gemeenten in het Nederlandse taalgebied, uitgewerkt in de strategische meerjarenplanning, te ondersteunen, onverminderd de toepassing van titel 3, hoofdstuk 6, afdeling 1.

De ondersteuning gebeurt op basis van de volgende Vlaamse beleidsprioriteiten:

1° de gemeente voert een kwalitatief en duurzaam lokaal cultuurbeleid;

2° de gemeente organiseert een laagdrempelige bibliotheek, aangepast aan de hedendaagse behoeften;

3° de gemeente, opgenomen in de lijst van steden en gemeenten die als bijlage bij dit decreet is gevoegd, organiseert een cultuurcentrum.

De ondersteuning van een kwalitatief en duurzaam lokaal cultuurbeleid gebeurt met bijzondere aandacht voor de openbare bibliotheek en het cultuurcentrum. Dat veronderstelt in ieder geval de aanwezigheid van de nodige deskundigheid bij de respectieve instellingen.

Titel 3.

Het lokaal cultuurbeleid

Hoofdstuk 1.

Het gemeentelijk cultuurbeleid Art. 6. De Vlaamse Regering kan de Vlaamse beleidsprioriteit, vermeld in artikel 5, 1°, specificeren. Ze bepaalt de subsidie die wordt uitgetrokken voor die Vlaamse beleidsprioriteit, en de criteria voor de verdeling van die subsidie onder de gemeenten.

Art. 7. Om te kunnen intekenen op de Vlaamse beleidsprioriteit, vermeld in artikel 5, 1°, moet een gemeente, alleen of in een samenwerkingsverband van een of meer andere gemeenten:

1° een coördinerende rol opnemen met betrekking tot het lokaal cultuurbeleid;

2° de lokale belanghebbenden betrekken bij de opmaak van de strategische meerjarenplanning;

3° minstens 0,8 euro per inwoner besteden aan ondersteuning van particuliere verenigingen en instellingen;

4° beschikken over een openbare bibliotheek en over een cultuurcentrum of een gemeenschapscentrum met een beheersorgaan, conform de bepalingen van het decreet van 28 januari 1974 waarbij de bescherming van de ideologische en filosofische strekkingen gewaarborgd wordt. De Vlaamse Regering specificeert de infrastructuurvoorwaarden waaraan een gemeenschapscentrum moet voldoen;

5° met het oog op monitoring, naast de door de gemeenteraad goedgekeurde jaarrekening, één keer per jaar algemene beleidsrelevante gegevens ter beschikking stellen over het gemeentelijk cultuurbeleid in de vorm en volgens de procedure die de Vlaamse Regering bepaalt.

Hoofdstuk 2.

De openbare bibliotheek

Art. 8. De Vlaamse Regering kan de Vlaamse beleidsprioriteit, vermeld in artikel 5, 2°, specificeren. Ze bepaalt de subsidie die wordt uitgetrokken voor die Vlaamse beleidsprioriteit en de criteria voor de verdeling van die subsidie onder de gemeenten.

Art. 9. Elke gemeente moet, alleen of in een samenwerkingsverband van een of meer andere gemeenten, een openbare bibliotheek organiseren. Om te kunnen intekenen op de Vlaamse beleidsprioriteit, vermeld in artikel 5, 2°, moet de openbare bibliotheek:

1° inspelen op maatschappelijke uitdagingen zoals de digitalisering van de samenleving;

2° een onafhankelijk en pluriform informatieaanbod ter beschikking stellen, breed en zorgvuldig samengesteld, aangepast aan de behoeften van het doelpubliek en in een niet-commerciële omgeving;

3° een online-catalogus aanbieden vanuit een bibliotheeksysteem, gebaseerd op de gegevens van het centraal bibliografisch achtergrondbestand Open Vlacc;

4° de raadpleging in de bibliotheek van alle informatiedragers en de uitlening van materialen en bestanden zo laagdrempelig mogelijk maken, in het bijzonder voor moeilijk bereikbare doelgroepen en voor mensen met een beperkt inkomen;

5° een optimale publieke dienstverlening garanderen op klantvriendelijke uren;

6° van de middelen, bestemd voor de aankoop van gedrukte materialen, jaarlijks minstens 75 percent van het vastgestelde budget besteden aan Nederlandstalige publicaties;

7° met het oog op monitoring, naast de door de gemeenteraad goedgekeurde jaarrekening, één keer per jaar algemene beleidsrelevante gegevens ter beschikking stellen over de openbare bibliotheek in de vorm en volgens de procedure die de Vlaamse Regering bepaalt.

Hoofdstuk 3.

Het cultuurcentrum

Art. 10. De Vlaamse Regering kan de Vlaamse beleidsprioriteit, vermeld in artikel 5, 3°, specificeren. Ze bepaalt de subsidie die wordt uitgetrokken voor die Vlaamse beleidsprioriteit en de criteria voor de verdeling van die subsidie onder de gemeenten, opgenomen in de lijst van Steden en Gemeenten die als bijlage bij dit decreet is gevoegd.

De gemeenten worden ingeschaald in categorieën als vermeld in de lijst van Steden en Gemeenten.

Art. 11. Om te kunnen intekenen op de Vlaamse beleidsprioriteit, vermeld in artikel 5, 3°, moet een gemeente, opgenomen in de lijst van Steden en Gemeenten, vermeld in artikel 10, alleen of in een samenwerkingsverband met een of meer aangrenzende gemeenten:

1° enerzijds een eigen aanbod realiseren waarbij een regionaal relevante staalkaart van allerlei cultuuruitingen, complementair aan de lokale en regionale behoeften, wordt aangeboden, en anderzijds de receptieve werking ondersteunen;

2° beschikken over een cultuurcentrum waarvan de Vlaamse Regering de infrastructuurvoorwaarden specificeert naargelang van de indeling in een categorie;

3° met het oog op monitoring, naast de door de gemeenteraad goedgekeurde jaarrekening, één keer per jaar algemene beleidsrelevante gegevens ter beschikking stellen over het cultuurcentrum in de vorm en volgens de procedure die de Vlaamse Regering bepaalt.

Hoofdstuk 4.

Organisaties met een specifieke opdracht

Afdeling 1.

Algemene voorwaarden

Art. 12. Om gesubsidieerd te worden moeten de organisaties, vermeld in artikel 20, 22, 28, 31, 34 en 36, voldoen aan de volgende voorwaarden:

1° opgericht zijn in de vorm van een vereniging zonder winstgevend doel overeenkomstig de wet van 27 juni 1921, waarbij aan de verenigingen zonder winstgevend doel en aan de instellingen van openbaar nut rechtspersoonlijkheid wordt verleend;

2° het secretariaat hebben in het Nederlandse taalgebied of in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad;

3° op zelfstandige wijze de financiën beheren en beschikken over een eigen post- of bankrekening;

4° een boekhouding voeren en die zo organiseren dat de aanwending van de subsidies op elk ogenblik financieel kan worden gecontroleerd;

5° toestaan dat de administratie en het Rekenhof de werking en de boekhouding zo nodig ter plaatse kunnen onderzoeken en de nodige gegevens ter beschikking stellen;

6° de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van de beheerders en de medewerkers, en van de deelnemers aan de door de organisatie georganiseerde activiteiten, vermeld in artikel 1382 tot en met 1386 van het Burgerlijk Wetboek, door een verzekering laten dekken;

7° de verplichtingen nakomen die verbonden zijn aan het werkgeverschap.

Art. 13. Het meerjarenplan, vermeld in artikel 21, 24, 27, 33, 35 en 37, formuleert de strategische doelstellingen en de acties die elke organisatie zal opzetten om haar opdrachten uit te voeren. Het meerjarenplan voorziet in een nulmeting op basis van indicatoren, zodat na afloop van de beleidsperiode de inspanningen kunnen worden getoetst aan de bereikte resultaten.

Het meerjarenplan van de organisaties, vermeld in artikel 20 en 31 van het decreet, beschrijft hoe de samenwerking tussen de organisaties wordt georganiseerd.

Art. 14. De organisaties, vermeld in artikel 20, 22, 31, 34 en 36, dienen het meerjarenplan in bij de bevoegde administratie uiterlijk op 1 oktober van het jaar dat voorafgaat aan een nieuwe beleidsperiode. De eerste beleidsperiode loopt van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2018.

Uiterlijk twee maanden nadat die organisaties het meerjarenplan hebben ingediend, keurt de administratie het plan goed of keurt ze het af, en deelt ze haar gemotiveerde beslissing mee aan de organisaties. Als het meerjarenplan niet wordt goedgekeurd, passen de organisaties het plan aan en dienen het binnen drie maanden opnieuw in bij de administratie, die binnen een maand meedeelt of het plan al dan niet wordt goedgekeurd.

Als de administratie het meerjarenplan, vermeld in artikel 21, 24, 27, 33, 35 en 37, definitief afkeurt, vervalt de subsidie met ingang van de eerste dag van de maand die volgt op de kennisgeving door de administratie van de afkeuring van het meerjarenplan aan de organisatie.

Art. 15. Als de administratie vaststelt dat een organisatie als vermeld in artikel 20, 22, 28, 31, 34 en 36 niet voldoet aan de subsidievoorwaarden of aan haar opdrachten, deelt ze haar bevindingen schriftelijk mee in een verslag met aanbevelingen. Daarbij nodigt ze de desbetreffende organisatie uit om haar eventuele bezwaren binnen dertig dagen kenbaar te maken in een bezwaarschrift.

De administratie bepaalt haar standpunt binnen dertig dagen nadat de organisatie het bezwaarschrift, vermeld in het eerste lid, heeft ingediend, en deelt dat mee aan de organisatie. Als de organisatie niet akkoord gaat met het standpunt van de administratie, kan ze binnen dertig dagen bezwaar indienen bij de minister.

De minister kan op elk moment, eventueel op basis van het ingediende bezwaarschrift en de evaluatie van de administratie, de subsidies van de lopende beleidsperiode stopzetten of verminderen als de organisatie de subsidievoorwaarden niet naleeft of haar opdrachten niet vervult. In dat geval vervalt of vermindert de subsidie vanaf de eerste dag van de maand na de kennisgeving van de beslissing van de minister door de administratie.

Art. 16. De organisaties, vermeld in artikel 20, 22, 28, 31, 34 en 36, dienen jaarlijks uiterlijk op 15 november een sluitende begroting in voor het volgende jaar.

Jaarlijks worden uiterlijk op 31 maart volgend op een uitvoeringsjaar een voortgangsrapport en een financiële afrekening ingediend. De afrekening moet minstens de volgende stukken bevatten: de balans, de resultatenrekening en een accountants- of revisorenverslag.

De documenten, vermeld in het eerste en tweede lid, zijn door de algemene vergadering van de organisatie goedgekeurd.

Art. 17. De subsidie, vermeld in artikel 21, 24, 27, 29, 33, 35 en 37, wordt uitgekeerd in vier driemaandelijkse voorschotten en een saldo. Elk voorschot bedraagt 22,5% van de voorgestelde subsidie. Het saldo wordt uitbetaald in de loop van het jaar dat volgt op het gesubsidieerde werkjaar nadat de administratie de financiële afrekening en het voortgangsrapport van het voorbije gesubsidieerde jaar heeft goedgekeurd.

Bij de berekening van het saldo wordt rekening gehouden met de uitgekeerde voorschotten. Als die hoger zijn dan de berekende subsidie, wordt het verschil in mindering gebracht van de subsidie die in de toekomst nog verschuldigd is.

Art. 18. Uit de afrekening en de balans moet blijken dat de organisaties, vermeld in artikel 20, 22, 31, 34 en 36, van het decreet, rekening houdend met de eigen middelen, sluitend of batig kunnen werken.

De Vlaamse Regering kan nadere regels voor reservevorming bepalen.

Art. 19. De Vlaamse Regering kan aan de organisaties, vermeld in artikel 20, 22, 28, 31, 34 en 36 bijkomende bepalingen opleggen over het AnySurflabel, het ecologisch bewustzijn en het gebruik van de standaardlogo’s van de Vlaamse Gemeenschap.pagina

Afdeling 2.

De digitale bibliotheek

Art. 20. De Vlaamse Regering geeft invulling aan het begrip ‘digitale bibliotheek voor de openbare bibliotheken binnen de Vlaamse Gemeenschap’ en subsidieert met het oog daarop een organisatie die tot doel heeft het beleid van de Vlaamse Gemeenschap met betrekking tot de digitale bibliotheek te ondersteunen en uit te voeren. Dat impliceert de ontwikkeling, de realisatie en het beheer van inhoudelijke en technische toepassingen, met het oog op de uitbouw van de digitale bibliotheek voor de openbare bibliotheken binnen de Vlaamse Gemeenschap.

Art. 21. De organisatie, vermeld in artikel 20, heeft de volgende opdrachten:

1° de bibliotheken ondersteunen als lokale plek waar het publiek kennis kan maken met en gebruik kan maken van de mogelijkheden van een digitale omgeving;

2° publiekstoepassingen aanbieden op het internet, waaronder de ontwikkeling en exploitatie van een uniforme toegang tot alle informatie die zich in de openbare bibliotheken bevindt;

3° de bibliotheken ondersteunen op het vlak van collectiebeheer;

4° in overleg met relevante partners de maatschappelijke ontwikkelingen volgen die een invloed hebben op de openbare bibliotheken, zowel op nationaal als op internationaal vlak.

De Vlaamse Regering kan die opdrachten specificeren.

De organisatie concretiseert haar opdrachten om de vijf jaar in een meerjarenplan en legt dat ter goedkeuring voor aan de administratie.

Voor de uitvoering van het meerjarenplan kent de Vlaamse Regering een jaarlijkse subsidie toe voor personeel en werking, waarvan ze het bedrag bepaalt.

Afdeling 3.

Voorzieningen voor bijzondere doelgroepen

Art. 22. Voor personen met een leesbeperking subsidieert de Vlaamse Regering een speciale bibliotheek met het oog op de uitbouw van een aangepaste dienstverlening.

Voor langdurig zieken en personen die in een rustoord, een rust- en verzorgingstehuis of een ziekenhuis verblijven, subsidieert de Vlaamse Regering een speciale bibliotheek met het oog op de uitbouw van een aangepaste dienstverlening.

Art. 23. De bibliotheek, vermeld in artikel 22, eerste lid, heeft de volgende opdrachten:

1° de doelgroep, die bestaat uit personen met een visuele of andere leesbeperking, proactief benaderen, met aandacht voor de sociaal-culturele pluriformiteit, en met het oog op de verhoging van het bereik van de doelgroep;

2° samenwerken met stakeholders en strategische partners zoals de openbare bibliotheken, de speciale bibliotheek, vermeld in artikel 22, tweede lid, de rusthuizensector, de dienstverlenende en sociaal-culturele intermediaire organisaties, met het oog op de verwezenlijking van een uitgebreidere dienstverlening;

3° een gediversifieerde en goed uitgebouwde collectie in de diverse aangepaste leesvormen ter beschikking stellen, zoals brailleboeken, luisterboeken en -tijdschriften, onder meer op basis van de overeenkomsten, vermeld in artikel 25;

4° de technologische ontwikkelingen volgen, zoals de ontwikkeling van de Daisy-technologie.

De Vlaamse Regering kan die opdrachten specificeren.

Art. 24. De bibliotheek, vermeld in artikel 22, eerste lid, concretiseert haar opdrachten om de vijf jaar in een meerjarenplan en legt dat ter goedkeuring voor aan de administratie.

Voor de uitvoering van het meerjarenplan kent de Vlaamse Regering een jaarlijkse subsidie toe voor personeel, werking en collectievorming, waarvan ze het bedrag bepaalt. De subsidie wordt toegekend nadat de administratie de overeenkomsten, vermeld in artikel 25, heeft goedgekeurd.

Art. 25. De bibliotheek, vermeld in artikel 22, eerste lid, sluit driejaarlijkse overeenkomsten met de organisaties, vermeld in artikel 28, voor het aanmaken van een bepaald aantal boeken of luistertijdschriften in het Daisy-formaat en in braille. Zowel het aantal, de prijs, het formaat, de kwaliteit, de leveringstermijn als de beschikbaarheid van de aangepaste lectuur zijn voorwerp van onderhandeling en worden opgenomen in de overeenkomsten.

De overeenkomsten, vermeld in het eerste lid, worden ingediend uiterlijk op 15 november van het jaar dat voorafgaat aan het eerste jaar van de looptijd van de overeenkomsten. Uiterlijk een maand nadat de overeenkomsten zijn ingediend, keurt de administratie die overeenkomsten goed of keurt ze ze af, en deelt ze haar gemotiveerde beslissing mee aan de bibliotheek, vermeld in artikel 22, eerste lid. Als de overeenkomsten niet worden goedgekeurd, passen de contractanten ze aan en dient de bibliotheek, vermeld in artikel 22, eerste lid, ze binnen een maand opnieuw in bij de administratie.

Art. 26. De bibliotheek, vermeld in artikel 22, tweede lid, heeft de volgende opdrachten:

1° de doelgroep die bestaat uit onder andere langdurig zieken en personen die in een rusthuis, een rust- en verzorgingstehuis of ziekenhuis, een woon- en zorgcentrum, een serviceflat of een psychiatrisch centrum verblijven, proactief benaderen, met aandacht voor de sociaal-culturele pluriformiteit en met het oog op de verhoging van het bereik van de doelgroep;pagina

2° met strategische partners zoals het streekgericht bibliotheekbeleid, de openbare bibliotheken, de speciale bibliotheek, vermeld in artikel 22, eerste lid, de rusthuizensector en eventueel de dienstverlenende en sociaal-culturele intermediaire organisaties samenwerken met het oog op de verwezenlijking van een uitgebreidere dienstverlening;

3° een gevarieerde collectie, in aangepaste leesvormen, ter beschikking stellen van de doelgroep;

4° de vrijwilligerswerking uitbouwen door een actief rekruteringsbeleid te voeren en een degelijke basisopleiding te organiseren.

De Vlaamse Regering kan die opdrachten specificeren.

Art. 27. De bibliotheek, vermeld in artikel 22, tweede lid, concretiseert haar opdrachten om de vijf jaar in een meerjarenplan en legt dat ter goedkeuring voor aan de administratie.

Voor de uitvoering van het meerjarenplan kent de Vlaamse Regering een jaarlijkse subsidie toe voor personeel, werking en collectievorming, waarvan zij het bedrag bepaalt.

Art. 28. Organisaties die lectuur in aangepaste leesvormen produceren, zoals brailleboeken, luisterboeken, luisterkranten en luistertijdschriften, zowel voor fysieke dragers als voor een digitale omgeving, kunnen aanspraak maken op een jaarlijkse personeels- en werkingssubsidie met het oog op de aanmaak van lectuur in aangepaste leesvormen.

Art. 29. De Vlaamse Regering bepaalt het subsidiebedrag dat wordt toegekend aan de organisaties, vermeld in artikel 28, en het percentage van de subsidie dat voorwerp uitmaakt van de overeenkomsten, vermeld in artikel 25.

De subsidie wordt toegekend nadat de administratie de overeenkomsten, vermeld in artikel 25, heeft goedgekeurd.

Art. 30. In aanvulling op de documenten, vermeld in artikel 16, moeten de organisaties, vermeld in artikel 28, jaarlijks uiterlijk op 31 maart volgend op een uitvoeringsjaar, de volgende documenten indienen:

1° een voortgangsrapport over de uitvoering van de overeenkomsten, vermeld in artikel 25, inclusief een overzicht van de aangemaakte lectuur in aangepaste leesvormen;

2° een evaluatie van de overeenkomsten door de contractanten.pagina

Afdeling 4.

Het steunpunt voor het lokaal cultuurbeleid

Art. 31. De Vlaamse Regering subsidieert een organisatie die als doel heeft, gemeenten te ondersteunen bij de lokale invulling van de Vlaamse beleidsprioriteiten in het kader van de uitbouw van een lokaal cultuurbeleid. De invulling van het lokaal cultuurbeleid binnen de strategische meerjarenplanning en de ondersteuning van de werking van cultuurcentra, openbare bibliotheken, gemeenschapscentra en adviesorganen voor cultuur staan daarbij centraal.

Art. 32. De organisatie, vermeld in artikel 31, heeft de volgende opdrachten:

1° gemeenten ondersteunen bij de lokale invulling van de Vlaamse beleidsprioriteiten in het kader van de uitbouw van een lokaal cultuurbeleid;

2° gemeenten stimuleren om in hun cultuurbeleid bijzondere aandacht te besteden aan de participatie van alle bevolkingsgroepen aan een divers en gevarieerd cultuuraanbod;

3° samenwerken met de administratie in het kader van de uitvoering van het Vlaamse beleid inzake het lokaal cultuurbeleid.

De Vlaamse Regering kan die opdrachten specificeren.

Art. 33. De organisatie, vermeld in artikel 31, concretiseert haar opdrachten om de vijf jaar in een meerjarenplan en legt dat ter goedkeuring voor aan de administratie.

Voor de uitvoering van het meerjarenplan kent de Vlaamse Regering een jaarlijkse subsidie toe voor personeel en werking, waarvan zij het bedrag bepaalt.

Afdeling 5.

Sectoraal overleg

Art. 34. De Vlaamse Regering subsidieert een organisatie die als doel heeft:

1° een platform te organiseren voor uitwisseling van kennis en expertise tussen openbare bibliotheken, wetenschappelijke bibliotheken, documentatiediensten en archieven;

2° de leden te informeren over de werking van de organisatie;

3° op te treden als vertegenwoordiger van alle aangesloten leden ten aanzien van de overheid, telkens als daarom gevraagd wordt.

Om gesubsidieerd te kunnen worden moet de organisatie minstens de helft van alle gesubsidieerde openbare bibliotheken tot lid hebben.

Art. 35. De organisatie, vermeld in artikel 34, concretiseert haar werking om de vijf jaar in een meerjarenplan.pagina

Voor de uitvoering van het meerjarenplan kent de Vlaamse Regering aan de organisatie een jaarlijkse subsidie toe voor personeel en werking, waarvan zij het bedrag bepaalt.

Art. 36. De Vlaamse Regering subsidieert een organisatie die als doel heeft:

1° een gemeenschappelijk platform te organiseren voor de aangesloten cultuurcentra;

2° de leden te informeren over de werking van de organisatie;

3° op te treden als vertegenwoordiger van alle aangesloten leden ten aanzien van de overheid, telkens als daarom gevraagd wordt.

Om gesubsidieerd te kunnen worden moet de organisatie minstens de helft van alle gesubsidieerde cultuurcentra tot lid hebben.

Art. 37. De organisatie, vermeld in artikel 36, concretiseert haar werking om de vijf jaar in een meerjarenplan.

Voor de uitvoering van het meerjarenplan kent de Vlaamse Regering aan de organisatie een jaarlijkse subsidie toe voor personeel en werking, waarvan ze het bedrag bepaalt.

Hoofdstuk 5.

Intergemeentelijke samenwerking voor afstemming van het cultuuraanbod en de communicatie

Art. 38. Met het oog op een structurele samenwerking voor een afstemming van het cultuuraanbod en de cultuurcommunicatie kunnen gemeenten een intergemeentelijk samenwerkingsverband met rechtspersoonlijkheid oprichten.

Een samenwerkingsverband als vermeld in het eerste lid kan een jaarlijkse subsidie verkrijgen van 0,33 euro per inwoner, met een maximum van 82.500 euro, op voorwaarde dat het voldoet aan de volgende voorwaarden:

1° minimaal bestaan uit vier aangrenzende gemeenten, waarvan er één behoort tot de lijst van Steden en Gemeenten, vermeld in artikel 10;

2° door alle aangesloten gemeenten samen jaarlijks een bedrag inbrengen dat minstens gelijk is aan de jaarlijkse subsidie van de Vlaamse Regering;

3° voor een periode die loopt tot en met het eerste jaar van een nieuwe gemeentelijke legislatuur een cultuurnota indienen die beschrijft welke activiteiten het intergemeentelijk samenwerkingsverband zal opzetten in het kader van de afstemming van het cultuuraanbod en de cultuurcommunicatie voor alle deelnemende gemeenten.

Art. 39. De Vlaamse Regering bepaalt de procedure die moet worden gevolgd voor het aanvragen en de toekenning van de subsidie.pagina

Hoofdstuk 6.

Grootstedelijke gebieden

Afdeling 1.

Het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad

Art. 40. Gemeenten in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad die beschikken over een Nederlandstalige openbare bibliotheek die op basis van dit decreet wordt gesubsidieerd, kunnen een cultuurbeleidsplan indienen waarin wordt aangegeven hoe ze invulling zullen geven aan de Vlaamse beleidsprioriteiten, vermeld in artikel 5, 1° en 2°, die de Vlaamse Regering kan specificeren.

Het cultuurbeleidsplan van de gemeenten wordt opgesteld voor een periode van zes jaar.

Art. 41. De Vlaamse Regering geeft subsidies aan de gemeenten in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad voor de uitvoering van een cultuurbeleidsplan.

De Vlaamse Regering kan nadere voorwaarden bepalen waaraan een cultuurbeleidsplan moet voldoen.

Art. 42. Voor de uitvoering van het cultuurbeleidsplan wordt aan gemeenten in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad een enveloppensubsidie ter beschikking gesteld:

1° voor gemeenten vanaf 10.000 inwoners een subsidie van 56.000 euro op jaarbasis;

2° voor gemeenten met minder dan 10.000 inwoners een subsidie van 28.000 euro op jaarbasis.

De subsidie moet worden aangewend voor personeelskosten of voor andere uitgaven van de gemeente ter uitvoering van het cultuurbeleidsplan, met uitzondering van de uitgaven voor de openbare bibliotheek.

Art. 43. Om in aanmerking te komen voor de subsidie voor de uitvoering van het cultuurbeleidsplan, vermeld in artikel 42, moet een gemeente in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad beschikken over:

1° een cultuurbeleidscoördinator, ingeschaald op minimaal het gemiddelde niveau van het leidinggevende cultuurpersoneel van de gemeente, die voldoet aan de voorwaarden die de Vlaamse Regering bepaalt, en van wie de taakomschrijving door de Vlaamse Regering wordt bepaald;

2° culturele infrastructuur die voldoet aan de vereisten die de Vlaamse Regering bepaalt;

3° een gemeentelijke, Nederlandstalige openbare bibliotheek die op basis van dit decreet wordt gesubsidieerd;pagina

4° een akkoord van de gemeente om gegevens over het gemeentelijk cultuurbeleid ter beschikking te stellen in de vorm die de administratie oplegt;

5° een bij de administratie ingediend cultuurbeleidsplan, goedgekeurd door de gemeenteraad, dat afloopt op het einde van het eerste jaar van de bestuursperiode die volgt op de bestuursperiode waarin het beleidsplan bij de administratie werd ingediend.

De Vlaamse Regering bepaalt de procedure die de gemeenten moeten volgen om aan te tonen dat ze voldoen aan de voorwaarden, vermeld in het eerste lid.

Art. 44. Als een cultuurbeleidsplan voor 31 december bij de administratie is ingediend, wordt de subsidie, vermeld in artikel 42, berekend vanaf 1 januari van het jaar dat volgt op de indiening van het cultuurbeleidsplan.

Uiterlijk op 31 maart van het jaar dat volgt op de indiening van het cultuurbeleidsplan bij de administratie, deelt de administratie mee of het cultuurbeleidsplan wordt aanvaard. Als het cultuurbeleidsplan niet wordt aanvaard, vervalt de subsidie, vermeld in artikel 42, vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de kennisgeving door de administratie.

De Vlaamse Regering bepaalt de procedure die moet worden gevolgd voor het aanvragen van de subsidie en de procedure van toekenning en verantwoording van de subsidie.

Art. 45. De Vlaamse Regering geeft subsidies aan de gemeenten in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad voor de organisatie van de gemeentelijke, Nederlandstalige openbare bibliotheek die moet voldoen aan de bepalingen, vermeld in artikel 9.

De Vlaamse Regering verleent een forfaitaire subsidie voor het personeel dat in een gemeentelijke openbare bibliotheek tewerkgesteld is binnen de personeelsformatie voor de bibliotheek die de gemeenteraad heeft goedgekeurd.

Die subsidie wordt als volgt toegekend:

1° gemeenten met minder dan 10.000 inwoners ontvangen een subsidie van 56.000 euro;

2° gemeenten met 10.000 inwoners of meer ontvangen een subsidie van 6,5 euro per inwoner van de gemeente.

De Vlaamse Regering verleent een forfaitaire subsidie van 0,17 euro per inwoner van de gemeente ter ondersteuning van de participatie aan het Brusselse Netwerk Openbare Bibliotheken.

De Vlaamse Regering bepaalt de procedure die moet worden gevolgd voor het aanvragen van de subsidie, de voorwaarden en de procedure van toekenning en pagina verantwoording van de subsidie.

Art. 46. Loonkosten van personen voor wie de gemeente op basis van een andere regelgeving al een subsidie ontvangt, zijn uitgesloten van de subsidie, vermeld in artikel 42 en 45.

Art. 47. De minister kan namens de Vlaamse Regering een convenant sluiten met de Vlaamse Gemeenschapscommissie waarin de volgende elementen aan bod komen:

1° de invulling die de Vlaamse Gemeenschapscommissie zal geven aan de Vlaamse beleidsprioriteiten, vermeld in artikel 5, 1°, 2° en 3°;

2° de organisatie van de openbare bibliotheek door Muntpunt vzw;

3° de voorwaarden waaronder de Vlaamse Gemeenschapscommissie de taken kan opnemen van een streekgericht bibliotheekbeleid als vermeld in artikel 59.

Voor de uitvoering van het convenant geeft de Vlaamse Regering een subsidie aan de Vlaamse Gemeenschapscommissie.

Het convenant wordt opgesteld voor een periode van vijf jaar. Het bepaalt het subsidiebedrag en de nadere regels voor de toekenning en de verantwoording van de subsidie.

Art. 48. Voor de individuele gemeenten in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad wordt voor de berekening van de subsidie, vermeld in artikel 42 en 45, 30% van de bevolkingscijfers, vermeld in artikel 4, in aanmerking genomen.

Afdeling 2.

Grootstedelijke gebieden Antwerpen en Gent

Art. 49. De Vlaamse Regering zal in het kader van het lokaal cultuurbeleid Vlaamse beleidsprioriteiten bepalen voor de grootstedelijke gebieden Antwerpen en Gent. Om te kunnen intekenen op die beleidsprioriteiten moeten Antwerpen en Gent voldoen aan de bepalingen, vermeld in artikel 7 en 9.

De Vlaamse Regering bepaalt de subsidie en de criteria voor de toekenning van de subsidie.

Hoofdstuk 7.

Indexering van de subsidiebedragen

Art. 50. De door of krachtens dit decreet verleende subsidies worden toegekend binnen de beschikbare begrotingskredieten.

Art. 51. Alle subsidiebedragen, vermeld in dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan, worden vanaf 1 januari 2014 gekoppeld aan hetzelfde prijsindexcijfer dat berekend en benoemd wordt voor de toepassing van artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van het concurrentievermogen, met uitzondering van de subsidiebedragen pagina voor de organisaties met een specifieke opdracht, vermeld in hoofdstuk 4 van titel 3, die vanaf 1 januari 2013 worden gekoppeld aan het prijsindexcijfer.

Titel 4.

Organisatie van het overleg en de advisering van het gemeentelijk cultuurbeleid

Art. 52. Met het oog op de voorbereiding en de evaluatie van het cultuurbeleid, organiseert de gemeente inspraak en participatie met alle lokale belanghebbenden. Ze toont aan dat ze de lokale belanghebbenden heeft betrokken bij de opmaak van de strategische meerjarenplanning.

Art. 53. De gemeente moet de volgende culturele actoren bij de organisatie van inspraak en participatie betrekken:

1° alle culturele organisaties en instellingen, zowel private als publieke, die het Nederlandstalige culturele leven bevorderen, die werken met vrijwilligers of met professionele beroepskrachten en die een werking ontplooien op het grondgebied van de gemeente;

2° deskundigen op het vlak van cultuur die het Nederlandstalige culturele leven bevorderen en die in de gemeente wonen.

Art. 54. De gemeente kan de actoren, vermeld in artikel 53, op twee manieren betrekken in het cultuurbeleid:

1° door de oprichting van één gemeentelijke raad, met adviserende bevoegdheid over alle culturele materies voor de hele gemeente;

2° door de oprichting van sectorale deelraden, met adviserende bevoegdheid over hun sectorale materie voor de hele gemeente.

Vertegenwoordigers van elke deelraad vormen daarnaast een overkoepelende gemeentelijke raad met adviserende bevoegdheid over de grote lijnen van het gemeentelijk cultuurbeleid.

Art. 55. De gemeente moet, in het kader van de beleidsvoorbereiding en -evaluatie, advies vragen aan de adviesorganen over alle aangelegenheden, vermeld in artikel 4, 1° tot en met 10°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, met uitzondering van punt 7° (jeugdbeleid) en 9° (sport).

Art. 56. De adviesorganen kunnen ook op eigen initiatief advies uitbrengen.

Art. 57. De gemeente moet bij het nemen van beslissingen eventuele afwijkingen op de uitgebrachte adviezen motiveren.

Art. 58. De gemeente bepaalt de nadere voorwaarden van de werking van de adviesorganen voor cultuur.pagina

Titel 5.

Provincies

Art. 59. Ter ondersteuning van de bibliotheekwerking van elke gemeente in de provincie neemt elke provincie het initiatief tot een streekgericht bibliotheekbeleid.

Elke provincie geeft autonoom invulling aan het streekgericht bibliotheekbeleid ter ondersteuning van de bibliotheekwerking in de provincie. Speciale aandacht gaat naar de schaalvergroting van de bibliotheekwerking, door provinciale bibliotheeksystemen te ontwikkelen en aan te bieden, en door samenwerkingsverbanden tussen gemeenten te begeleiden, te stimuleren en te ondersteunen.

De provincie betrekt de gemeenten, via een ruim participatieproces, actief bij de invulling, uitvoering en evaluatie van het streekgericht bibliotheekbeleid.

De Vlaamse Regering zal jaarlijks minstens één interbestuurlijk overleg organiseren om het Vlaamse, provinciale en lokale bibliotheekbeleid op elkaar af te stemmen.

Art. 60. De provincies zijn bevoegd om:

1° ondersteuning te bieden aan vormen van bovenlokale platformwerking en samenwerking in het kader van het lokaal cultuurbeleid en de lokale cultuureducatie en cultuurcommunicatie, met uitzondering van de structurele subsidiëring van activiteiten die worden ondersteund op basis van artikel 38 van dit decreet;

2° het sociaal-cultureel volwassenenwerk van bovenlokaal belang structureel te ondersteunen, met uitzondering van de ondersteuning aan organisaties die structureel gesubsidieerd worden op basis van de Vlaamse vigerende regelgeving met betrekking tot het sociaal-cultureel volwassenenwerk;

3° kwaliteitbevorderende maatregelen te nemen binnen de amateurkunstensector, meer bepaald:

a) de structurele ondersteuning van organisaties van bovenlokaal belang, met uitzondering van de organisaties die structureel gesubsidieerd worden op basis van de Vlaamse vigerende regelgeving met betrekking tot de amateurkunsten;

b) de organisatie van wedstrijden en tornooien met het oog op kwaliteitsbevordering;

 

4° de professionele kunsten van bovenlokaal belang structureel te ondersteunen, met uitzondering van de organisaties of kunstenaars die structureel gesubsidieerd worden op basis van de Vlaamse vigerende regelgeving met betrekking tot de kunsten ;

5° ondersteuning te bieden aan circusorganisaties van bovenlokaal belang, circusevenementen en circusateliers, met uitzondering van de ondersteuning aan organisaties, evenementen en ateliers die structureel gesubsidieerd worden op basis van de Vlaamse vigerende regelgeving met betrekking tot het circus;pagina

6° een regionaal cultureel-erfgoedbeleid te voeren zoals wordt bepaald in de Vlaamse vigerende regelgeving met betrekking tot het cultureel-erfgoedbeleid;

7° gebiedsgerichte projecten, impulsprojecten of projecten voor bijzondere doelgroepen in het kader van het beleid met betrekking tot het sociaal-cultureel volwassenenwerk, het (amateur)kunstenbeleid, het circusbeleid en het cultureel-erfgoedbeleid te ondersteunen. Op verzoek van hetzij de Vlaamse Regering, hetzij een of meer provincies, kan dat opgenomen worden in een bestuursakkoord als vermeld in artikel 2 van het Provinciedecreet;

8° in afwijking van punt 2°, 3°, 4°, 5° en 6°, ondersteuning te bieden aan initiatieven en organisaties die worden ondersteund door de Vlaamse overheid, maar waarvan de provincie medeorganisator is, binnen de afspraken die zijn opgenomen in een beheersovereenkomst.

Een provincie die op 1 januari 2014 deelneemt in een rechtspersoon die gericht is op het uitoefenen van een bevoegdheid of taak als vermeld in artikel 4 en 5 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, behoudt die bevoegdheid voor zover die instelling opgenomen is in de lijst die de Vlaamse Regering heeft vastgesteld, na advies van de provincies.

Titel 6.

Overgangsbepalingen

Art. 61. In afwijking van artikel 63, 64 en 65 blijven de verplichtingen ter verantwoording van de subsidie voor het werkjaar 2013 op basis van het decreet van 13 juli 2001 houdende het stimuleren van een kwalitatief en integraal lokaal cultuurbeleid, zoals gewijzigd, van toepassing tot en met 31 december 2014.

In afwijking van artikel 66 en 67 blijven de verplichtingen ter verantwoording van de subsidie voor het werkjaar 2013 op basis van het decreet van 6 juli 2001 houdende ondersteuning van de federatie van erkende organisaties voor volksontwikkelingswerk en houdende ondersteuning van de Vereniging van Vlaamse Cultuurcentra, zoals gewijzigd, van toepassing tot en met 31 december 2014.

In afwijking van artikel 68 blijven de verplichtingen ter verantwoording van de subsidie voor het werkjaar 2013 op basis van het reglement van 11 april 2008 voor de aanvullende tewerkstelling bij organisaties actief in het kader van de lectuurvoorziening voor personen met een leesbeperking van toepassing tot en met 31 december 2014.

Art. 62. Met behoud van de toepassing van artikel 61, eerste lid, blijven voor de gemeenten die in 2012 een subsidieaanvraag doen op basis van het decreet van 13 juli 2001 houdende het stimuleren van een kwalitatief en integraal lokaal cultuurbeleid, de bepalingen van dat decreet gelden tot en met 31 december 2013.

Titel 7.

Opheffingsbepalingen

Art. 63. Het decreet van 13 juli 2001 houdende het stimuleren van een kwalitatief en integraal lokaal cultuurbeleid, gewijzigd bij de decreten van 5 juli 2002, 20 december 2002, 21 maart 2003, 24 december 2004, 23 december 2005, 30 juni 2006, 13 juli 2007,19 november 2010 en 18 maart 2011, wordt opgeheven.

Art. 64. Het besluit van de Vlaamse Regering van 11 januari 2002 ter uitvoering van het decreet van 13 juli 2001 houdende het stimuleren van een kwalitatief en integraal lokaal cultuurbeleid, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 28 mei 2004, 11 juni 2004, 15 september 2006 en 7 december 2007, wordt opgeheven.

Art. 65. Het ministerieel besluit van 29 mei 2002 houdende vastlegging van de structuur van een gemeentelijk cultuurbeleidsplan, een beleidsplan van een bibliotheek en een beleidsplan van een cultuurcentrum, gewijzigd bij het ministerieel besluit van 13 februari 2007, wordt opgeheven.

Art. 66. Het decreet van 6 juli 2001 houdende ondersteuning van de federatie van erkende organisaties voor volksontwikkelingswerk en houdende ondersteuning van

de Vereniging van Vlaamse Cultuurcentra, gewijzigd bij de decreten van 5 juli 2002, 29 november 2002 en 14 maart 2008, wordt opgeheven.

Art. 67. Het besluit van de Vlaamse Regering van 14 maart 2003 ter uitvoering van het decreet houdende ondersteuning van de federatie van erkende organisaties voor volksontwikkelingswerk en houdende ondersteuning van de Vereniging van Vlaamse Cultuurcentra wordt opgeheven voor wat de Vereniging van Vlaamse Cultuurcentra betreft.

Art. 68. Het reglement van 11 april 2008 voor de aanvullende tewerkstelling bij organisaties actief in het kader van de lectuurvoorziening voor personen met een leesbeperking wordt opgeheven.

Titel 8.

Inwerkingtredingsbepaling

Art. 69. Dit decreet treedt in werking op 1 januari 2014, met uitzondering van artikel 2 tot en met 11, 40, 47, 49, 61 en 62, die in werking treden op 30 oktober 2012, en artikel 12 tot en met 37, en artikel 50 tot en met 58, die in werking treden op 1 januari 2013.

AANGENOMEN DOOR HET VLAAMS PARLEMENT,

Brussel, 27 juni 2012pagina

Kondigen dit decreet af, bevelen dat het in het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.

Brussel, 6 juli 2012

De minister-president van de Vlaamse Regering,

Kris PEETERS

De Vlaamse minister van Leefmilieu, Natuur en Cultuur,

Joke SCHAUVLIEGEpagina 20 van 21 

De commentaren zijn gesloten.